Het ‘schattend rekenen’ is een belangrijk onderdeel van de rekenleerlijn. Deze zomervakantie hebben we daarom onze schatdoelen herzien. De instructielessen, mogelijkheden waarop afgerond kan worden, vraagstellingen en antwoordmogelijkheden in de opgaven zijn aangescherpt en verbeterd. Lees hieronder meer.


Schattend rekenen

De rekenboeken in het basisonderwijs staan er vol van: ‘Hoeveel is het ongeveer?’ of ‘Schat de uitkomst’. Iedere leerling leert op de basisschool om een rekensom schattend uit te rekenen. Het is belangrijk dat leerlingen een antwoord bij benadering kunnen geven. Dit kan nuttig zijn om bijvoorbeeld te kunnen controleren of de precieze uitkomst logisch is, of de uitkomst past in de context of dat je kunt inschatten of je ergens voldoende van (over) hebt. Leerlingen leren ook dat het in sommige gevallen niet eens nodig is om de precieze uitkomst te weten. Denk maar aan een bezoek aan de supermarkt. Je koopt vier broden van € 2,29 en wilt weten of je genoeg hebt aan € 10,00. De context in het schattend rekenen is dan ook van groot belang, omdat deze vaak bepaalt of schatten mag en kan. Daarnaast is schattend rekenen een vaardigheid die doorgaans een goede indicatie geeft van het wiskundig denkvermogen van een leerling.

Pagina uit de instructieles van Schattend optellen t/m 100 euro met kommabedragen

Instructielessen

De instructielessen die horen bij de verschillende schatdoelen leggen uit waarop leerlingen kunnen afronden. De afronding die de leerling kiest, moet namelijk passend zijn bij de getalgrootte en de context van de opgave. In een opgave waarbij een leerling moet schatten hoeveel inwoners de twee grootste steden van Nederland tellen, is een afronding op het tienvoud niet passend. Het antwoord wordt dan te exact berekend en dit is in deze context niet nodig. Een afronding op het honderdduizendvoud is in dat geval logischer.

Daarnaast gaan de instructielessen ook in op de functie van schatten. Er zijn denkvragen toegevoegd waardoor leerlingen worden uitgedaagd om te beredeneren waarom ze schatten, welke afrondmogelijkheid het meest passend is, of het nuttig is de uitkomst te schatten en of de precieze uitkomst meer/minder is dan de schatting. De ene leerling maakt andere afwegingen dan de andere leerling. Het is goed dat leerlingen leren deze afwegingen te verwoorden. Vervolgens kan de leerkracht het gesprek met de leerlingen aangaan of er nog andere mogelijkheden zijn. Gesprekken over dit ‘aparte’ rekenonderdeel schatten vergt namelijk een andere manier van denken dan precies rekenen zijn heel waardevol. Een goede instructie is dus van wezenlijk belang!

Bekijk alle vernieuwde instructielessen

 

Pagina uit de instructieles van Schattend optellen t/m 1000

Verwerking 

Ook in de opgaven in de digitale verwerking hebben we een verbeterslag gemaakt, zodat ze nu naadloos aansluiten bij de aangeboden strategieën uit de instructielessen. Dezelfde strategieën zijn voor leerlingen terug te lezen in de hint. We hebben diverse vraagstellingen toegevoegd. Het bepalen van de beste schatting blijft natuurlijk een vast onderdeel van het schattend rekenen. Daarnaast komen leerlingen ook opgaven tegen die verdergaan dan alleen schatten, denk hierbij aan: ‘Is de precieze uitkomst meer of minder dan de schatting?’, ‘Van welke som kan deze schatsom afgeleid zijn?’ en ‘Kies twee getallen die samen ongeveer 800 zijn.’. Hiermee wordt het wiskundig denkvermogen van de leerlingen gestimuleerd en leren leerlingen een stapje verder te denken dan alleen een som ongeveer uitrekenen.

Opgave uit het leerdoel Schattend aftrekken t/m 10.000

Feedback helpt

Gynzy vindt jouw feedback erg belangrijk. Deel je ideeën op gynzy.com/wensen.

“Kinderen leren in de instructie eerst vooral afronden op het 100-tal en in de opgave wordt gevraagd af te ronden op een 10-tal.” – De Leeuwerik

“N.a.v. een gesprek met een leerling van groep 8, maar ook n.a.v. mijn eigen bevindingen is het belangrijk dat bij sommen waarbij het antwoord afgerond moet worden, schattend rekenen, erbij staat waar je het op moet afronden. Dat is nu vaak niet zo en zorgt voor frustratie en veel, onnodige fouten, bij leerlingen.” – De Borgh