Leerlijn Taal

Taalbegrip ⟩Abstracties

Zender & ontvanger

2F 5,6,7,8

HomeLeergebiedenTaalLeerlijnZender & ontvanger

Toelichting

Communicatie gaat over het uitwisselen van informatie. Bij het uitwisselen van informatie zijn er altijd een Zender en een Ontvanger. De zender zendt de boodschap en de ontvanger ontvangt deze.

Bij het schrijven is de schrijver de zender en de lezer de ontvanger. Bij mondelinge taal is de spreker de zender en de luisteraar de ontvanger.

Om een boodschap goed te begrijpen is het goed om te weten wie de zender is, voor wie de boodschap bedoeld is en welke bedoeling de zender met zijn boodschap heeft.

Ruis
Helaas ontvangt de ontvanger de boodschap van de zender niet altijd zoals hij bedoeld is. Bij het zenden of bij het ontvangen kunnen er meerdere dingen misgaan. Dat de boodschap niet zo overkomt als hoe hij bedoeld is noem je ruis.

De zender zendt de informatie via een kanaal of medium. Als de ontvanger niet op hetzelfde kanaal is afgestemd ontvangt hij de boodschap niet of niet helemaal.

Denk maar aan het nieuws in de krant. Als jij de krant niet leest, zal de boodschap jou niet bereiken.

Het kan ook zijn dat de ontvanger de boodschap niet begrijpt. In zo’n geval komt de boodschap ook niet goed over. In zulke gevallen was de boodschap misschien wel niet bedoeld voor de ontvanger of heeft de zender de boodschap niet helemaal goed aangepast op de ontvanger.

Denk maar aan het lezen van een hele lastige tekst waarin woorden staan die je niet kent. Waarschijnlijk snap je niet waar de tekst over gaat en hierdoor begrijp je de boodschap van de zender niet.

Instructietip

Zender & Ontvanger
Voor jongere leerlingen is het voldoende om alleen in te gaan op de zender en de ontvanger. Je kunt verschillende teksten (kranten, tijdschriften, lesboeken) of fragmenten van televisieprogramma’s erbij pakken en leerlingen vragen wie de zender en de ontvanger zijn van die tekst of dat gesprek. Je kunt het ook kleiner houden en uit een tekst een passage pakken waarin een gesprek beschreven staat. Je kunt de leerlingen vragen wie de zender en ontvanger zijn van een specifieke zin.

Zender, Ontvanger & Ruis
Wijs twee leerlingen aan. De ene leerling is de zender, de andere de ontvanger. Laat alle leerlingen in een lange rij achter elkaar staan. De zender staat vooraan en de ontvanger staat achteraan.

Laat de zender een korte boodschap lezen. Laat vervolgens de zender dit fluisterend doorgeven aan de leerling achter hem, deze leerling geeft het weer door aan de volgende en zo verder tot de boodschap is aangekomen bij de ontvanger.

Laat de ontvanger de boodschap die hij ontvangen heeft hardop zeggen. Bespreek met de leerlingen of de boodschap goed over is gekomen en hoe het kan dat dit wel of niet zo is. Hoe kan het beter?

Kies een keer voor een eenvoudige korte boodschap en een keer voor een lange ingewikkelde boodschap.