Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Voornaamwoorden

Wederkerend & wederkerig voornaamwoord

3F 7,8

HomeLeergebiedenTaalLeerlijnWederkerend & wederkerig voornaamwoord

Toelichting

Het wederkerend voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp en hoort bij het wederkerend werkwoord. Wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden die gecombineerd worden met het woord ‘zich’. Voorbeelden van wederkerende werkwoorden zijn: zich wassen, zich inbeelden, zich ergeren, zich vervelen.

Sommige wederkerende werkwoorden kunnen ook niet wederkerend voorkomen. Bijvoorbeeld wassen: hij wast zich (wel wederkerend) en hij wast de auto (niet wederkerend).

Het wederkerend voornaamwoord verwijst naar het onderwerp en neemt dan ook de vorm aan van dit onderwerp.

Ik heb mij vergist. Het onderwerp is ik. Het wederkerend voornaamwoord is mij.

Jantje heeft zich vergist. Het onderwerp is Jantje. Het wederkerend voornaamwoord is zich.

Als de beleefdheidsvorm u het onderwerp is, dan kun je kiezen tussen u of zich als wederkerend voornaamwoord. Bijvoorbeeld U gedraagt zich erg netjes of U gedraagt u erg netjes. 

Het wederkerig voornaamwoord verwijst naar het onderwerp dat bestaat uit twee personen, dieren of zaken. Het wederkerig voornaamwoord is meestal het woord elkaar, of soms een vorm daarvan: mekaar of elkander.

Het wederkerig voornaamwoord kan zelfstandig en niet-zelfstandig (ook wel bijvoeglijke vorm) voorkomen. Bij het niet-zelfstandige wederkerige voornaamwoord, staat het zelfstandig naamwoord waar het naar verwijst direct achter het wederkerige voornaamwoord. Bijvoorbeeld elkaars in de zin: Zij gebruiken elkaars kopje. Bij het zelstandige wederkerige voornaamwoord, staat het zelfstandig naamwoord waar het naar verwijst niet direct achter het wederkerige voornaamwoord. Bijvoorbeeld elkaar in de zin: Zij komen bij elkaar op bezoek.

Verschil wederkerend en wederkerig voornaamwoord

Het wederkerend en wederkerig voornaamwoord verwijzen allebei naar het onderwerp. Het wederkerig voornaamwoord drukt een wederzijdse relatie uit, wat bij het wederkerend voornaamwoord niet het geval is.

Het verschil tussen het wederkerend en wederkerig voornaamwoord wordt helder in deze twee zinnen:

  • Jack en Vincent vermaken zich met de nieuwe auto. In dit geval vermaken Jack en Vincent zich samen.
  • Jack en Vincent vermaken elkaar met de nieuwe auto. In dit geval vermaakt Jack Vincent en vermaakt Vincent Jack, waarvoor ze de nieuwe auto gebruiken.

Voorbeeld

Wederkerend voornaamwoord

  • 1e persoon enkelvoud: Ik verslik mij (me) in de soep.
  • 1e persoon meervoud: Wij verslikken ons in de soep.
  • 2e persoon enkelvoud: Jij verschuilt je achter de bank.
  • 2e persoon enkelvoud: U verslaapt zich helemaal nooit.
  • 2e persoon enkelvoud: U verslaapt u helemaal nooit.
  • 2e persoon meervoud: Jullie verschuilen je achter de bank.
  • 3e persoon enkelvoud: Hij slooft zich enorm uit.
  • 3e persoon meervoud: Zij sloven zich enorm uit.

Wederkerig voornaamwoord

  • Lot en Sef houden van elkaar.
  • Mensen kijken elkaar aan als ze praten.
  • Wij kijken naar elkaars planten.

Spelling

Spelling

  • Begrippen
    • Voornaamwoorden
      • Wederkerend voornaamwoord (begrip)