Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Woordsoorten

Voorzetsel

1F 5,6

Toelichting

Het voorzetsel beschrijft de plaats, tijd, richting, reden, oorzaak, doel of middel van een woordgroep waarvan het hoofdwoord vaak een zelfstandig naamwoord is. Vaak worden deze voorzetsels uitgelegd met het voorbeeld van de kast: ‘op de kast, naast de kast, rondom de kast, tegen de kast’. Elk voorzetsel beschrijft dus iets van de woordgroep.

Richting: De trein rijdt voorbij Berlijn.
Voorbij hoort bij Berlijn. De trein rijdt niet tot of naar Berlijn maar er voorbij.

Oorzaak: We krijgen korting dankzij jouw moeder.
Dankzij hoort bij jouw moeder, zij is de oorzaak dat we korting krijgen.

Voorzetsels staan meestal vóór de woordgroep, maar kunnen ook achter de woordgroep waar ze bij horen staan. Bijvoorbeeld: De kinderen lopen de straat uit.

Let op, soms lijkt een samengesteld scheidbaar werkwoord, zoals opstaan of nadenken, op een voorzetsel.

Vanmiddag denken wij na over het feest.

Over het algemeen sta ik rond half zeven op.

In deze zinnen zijn na en op geen voorzetsels maar horen ze bij het werkwoord.

Soms komen voorzetsels voor in een vaste combinatie met werkwoorden en/of zelfstandig naamwoorden (bijvoorbeeld: dol zijn op). Dit wordt behandeld in Kennen van vaste woordcombinaties.

Voorbeeld

Plaats: Tegenover de supermarkt staat het huis van Max. Zijn zusje is geboren te Amsterdam.

Richting: Ik loop over de brug heen. Zo kom ik sneller naar het einde van de straat.

Reden: Wegens de vele regen is de wedstrijd afgelast.

Oorzaak: Vanwege de prijsstijging kan ik minder snoep kopen.

Doel: Ik geef de nieuwe plant aan mijn moeder.

Middel: Die tekening heb ik gemaakt met mijn nieuwe pennen.

Tijd: Tijdens de wedstrijd was er veel te doen. Zo werden erin de rust knakworsten verkocht.

Content in Gynzy

Grammatica

Grammatica

  • Taalkundige ontleding
    • Woordsoorten
      • Voorzetsel (begrip)