Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Woordsoorten

Voegwoord II

3F 7,8

Toelichting

Voegwoorden zijn woorden die zinnen of woorden aan elkaar verbinden. Het voegwoord geeft aan welke relatie de twee zinsdelen of woorden tot elkaar hebben.

Er zijn nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden. Als een voegwoord tussen twee gelijke hoofdzinnen, zinsdelen, woorden of woordgroepen staat dan is het een nevenschikkend voegwoord.  

De meest voorkomende voegwoorden: en, maar, of en want zijn alle vier nevenschikkende voegwoorden en komen aan bod in Voegwoord I. Andere nevenschillende voegwoorden zijn dus, zowelals, noch en dan (wel).

Dus

Het voegwoord dus geeft een gevolg aan. Voor het voegwoord schrijf je een komma.

Zowel … als

Het voegwoord zowelals betekent: ‘niet alleen … maar ook’. Je schrijft het in een zin zonder dat je een komma hoeft te gebruiken.

Noch

Het voegwoord noch betekent: ‘en ook niet’. Het verbindt woorden of woordgroepen waarvan iets ontkend wordt. Je schrijft het in een zin zonder dat je een komma hoeft te gebruiken.

Dan

Het voegwoord dan geeft een vergelijking aan. Je schrijft het in een zin zonder dat je een komma hoeft te gebruiken.

Een onderschikkend voegwoord staat tussen een hoofdzin en bijzin, dit zijn twee ongelijke gedeelten van een zin. Er zijn veel onderschikkende voegwoorden. Voorbeelden hiervan zijn: als, dat, of, indien, hoewel, sinds en zolang.

Direct na het voegwoord schrijf je het onderwerp. Het gebruik van een komma is niet bij elk voegwoord hetzelfde. Bij de meeste voegwoorden schrijf je wel een komma. Hier zijn echter geen duidelijke regels voor, behalve dat je de komma schrijft als je een pauze in de zin hoort. Een uitzondering zijn de voegwoorden dat en die. Hierbij gebruik je geen komma, tenzij het gaat om een uitbreidende bijzin, de zin die erna volgt zegt dan wat over hetgeen ervoor stond.

Als

Het voegwoord als geeft een voorwaarde aan. 

Dat

Het voegwoord dat is een van de vaakst gebruikte voegwoorden. Het wordt vaak gecombineerd met een voorzetsel: nadat, voordat, totdat, doordat, omdat. Vaak wordt het gebruikt om een reden te geven. Het voorzetsel waarmee het voegwoord dat gecombineerd wordt, bepaalt wat het voegwoord daadwerkelijk aangeeft. 

Of

Het voegwoord of wordt vaak gebruikt in combinatie met het werkwoord vragen: Ik vraag me af of … .

Indien

Het voegwoord indien gebruik je meestal alleen als je schrijft (schrijftaal). Het is een ander woord voor ‘als’. Je gebruikt het dus om een voorwaarde aan te geven.

Hoewel

Het voegwoord hoewel geeft een tegenstelling aan.

Sinds

Het voegwoord sinds betekent ‘vanaf het moment dat’. 

Zolang

Het voegwoord zolang betekent ‘gedurende de tijd dat’.

Voorbeeld

Nevenschikkende voegwoorden

 

  • Het is mooi weer, dus ik ga zwemmen.
  • Hij heeft zowel Marieke als Mirjam uitgenodigd voor het feestje.
  • Mijn moeder noch de buurvrouw heeft Wiebes gezien.
  • Noch mijn moeder noch de buurvrouw heeft Wiebes gezien
  • Zij werkt harder dan ik.

 

Onderschikkende voegwoorden:

 

  • Hij gaat mee zwemmen als het mooi weer is.
  • Ik wil graag weten wat jij deed voordat je leerkracht werd.
  • Ik vraag me af of je zuurkoolstamppot lekker vindt.
  • Hij gaat mee zwemmen, indien het mooi weer is.
  • Hij zei dat ik het goed had gedaan, hoewel ik toch wat fouten heb gemaakt.
  • Sinds jij die nieuwe schoenen hebt, loop je harder.
  • Zolang het niet onweert, blijf ik zwemmen.

Content in Gynzy

Grammatica

Grammatica

  • Taalkundige ontleding
    • Woordsoorten
      • Voegwoord (begrip)