Leerlijn Taal

Tekstkennis ⟩Tekstbegrip

Signaalwoord

2F 5-8

Toelichting

Signaalwoorden zijn belangrijke woorden in een tekst. Ze geven je een teken dat er iets belangrijks komt. Signaalwoorden worden ook wel verbindingswoorden genoemd, omdat ze verbanden leggen in een tekst. Ze geven de structuur en opbouw van de tekst aan.

Er zijn veel verschillende signaalwoorden. Hieronder staan wat voorbeelden per verband dat ze aangeven:

  • Opsomming: en, ook, niet alleen … maar ook, verder, ten eerste + ten tweede etc., in de eerste plaats + in de tweede plaats etc., ten slotte, als laatste, daarnaast, bovendien, vervolgens, tevens, zowel … als, noch … noch
  • Tijd: vroeger, eerst, eerder(e), daarna, later(e), wanneer, ten slotte, tijdens, na, intussen, voordat, nadat, tijdens, sinds, toen, voordat, aanvankelijk, tegelijkertijd, zodra, zolang, waarna, … jaar geleden, … maanden eerder, in het jaar …, gedurende, voorafgaand aan, naderhand  
  • Plaats: hier, daar, beneden, bovenaan, waarop, waarvandaan, waarin
  • Tegenstelling: maar, toch, echter, ondanks, desondanks, daarentegen, hoewel, aan de ene kant + aan de andere kant, integendeel, daar staat tegenover, behalve als, enerzijds + anderzijds, doch
  • Verklaring/reden/argument: omdat, want, daarom, namelijk, om die reden, aangezien, immers, op grond van
  • Overeenkomst bij vergelijking: overeenkomst, gelijk zijn aan, net (zo)als, hetzelfde, evenals, evenzeer, overeenkomstig, alsof, met elkaar gemeen hebben, lijkt op, soortgelijke, is vergelijkbaar met, ter vergelijking
  • Verschil bij vergelijking: verschil, anders, afwijken, …er (dan), niet zo … als, verschillend, onderscheid, vergeleken
  • Toelichting/voorbeeld: bijvoorbeeld, een voorbeeld, dat houdt in, dat wil zeggen, zoals, met andere woorden, onder andere, toelichten, verduidelijken, zo (is er), ter illustratie, iedereen kent wel, te denken valt aan, je moet daarbij denken aan
  • Oorzaak/gevolg: doordat, daardoor, want, waardoor, door, vanwege, zodat, hierdoor, oorzaak, als gevolg van, wegens, dat heeft alles te maken met, komt voort uit, op grond van, ligt ten grondslag aan, ten gevolge van, is te wijten aan
  • Doel/middel: zodat, bedoeling, door middel van, met behulp van, door, middel, doel, om (te), opdat, daarmee, is erop gericht, daartoe, d.m.v., m.b.v.
  • Voorwaarde: als, wanneer, stel dat, in het geval dat, op voorwaarde dat, indien, opdat, mits, tenzij
  • Conclusie/samenvatting: dus, conclusie, concluderen(d), kortom, samenvattend, samengevat, al met al, alles bij elkaar gezet, alles op een rijtje gezet, uit dit alles blijkt, afleiden, op grond hiervan, alles overzien, waar het op neerkomt, het allerbelangrijkste, met andere woorden

Voorbeeld

Barry leest een boek. Hij vindt het heel interessant. Het gaat over politiek en over rechtszaken. In het boek leest hij dat Nederland verschillende bondgenoten heeft. Dat zijn landen die met Nederland samenwerken. Ze hebben met elkaar een overeenkomst of een verdrag waarin de gemaakte afspraken staan. 

De Europese Unie is een voorbeeld van een samenwerkingsverband tussen verschillende bondgenoten. Met elkaar hebben ze afspraken gemaakt. Zo is er in ieder land een kinderrechter die de rechtspraak doet in rechtszaken met kinderen tussen de 12 en 18 jaar. Ook heeft ieder land een volksvertegenwoordiging met mensen die gekozen zijn om hun stem te laten horen in het bestuur van een land. Daarnaast probeert de Europese Unie er voor te zorgen dat we in vrede kunnen leven. Iedereen in de Europese Unie heeft bijvoorbeeld het recht op godsdienstvrijheid: je kunt zelf kiezen waar je in gelooft zonder dat je daarvoor vervolgd wordt. Toch zijn er ook mensen die in opstand komen tegen de Europese Unie. Zij willen liever onafhankelijk zijn en strijden voor die onafhankelijkheid.

Instructietip

Zoek een tekst met signaalwoorden, passend bij het niveau van de leerlingen. Hierboven staan per verband de relatief eenvoudige signaalwoorden eerst genoemd en de relatief moeilijke signaalwoorden daarna genoemd. Het is echter vooral belangrijk dat de inhoud van de tekst aansluit bij het niveau van de leerlingen.

Laat de leerlingen signaalwoorden in een tekst markeren. Na het markeren benoemen zij het verband dat het signaalwoord signaleert. Je kunt dit ook omdraaien. Je noemt dan een aantal verbanden, die je ieder een eigen kleur geeft. De leerlingen markeren de signaalwoorden in de tekst, waarbij ze telkens de juiste kleur gebruiken.