Leerlijn Taal

Stilistiek & Semantiek ⟩Taalbetekenis

Samentrekking

3F 7,8

HomeLeergebiedenTaalLeerlijnSamentrekking

Toelichting

Soms schrijf je twee keer hetzelfde in een zin of tekst. Dit kan korter door woorden samen te trekken. Hierdoor wordt vaak de zin of tekst ook duidelijker. Dit noemen we een samentrekking. Dit samentrekken kan op drie verschillende niveau’s: woordniveau, woordgroepniveau of zinsniveau. Hieronder staat elk niveau toegelicht.

Bij een samentrekking op woordniveau laat je een deel van een woord weg, omdat dit deel ook in het andere woord staat. Je gebruikt dan een liggend streepje dat aangeeft dat er een stuk van het woord ontbreekt. Hierbij is het belangrijk dat de betekenis van de woorden gelijk is, anders kun je een dergelijke samentrekking niet maken.

Ledlamp of gloeilamp kan je samentrekken tot: led- of gloeilamp. Het gaat hier om dezelfde betekenis, beide zijn het lampen en beide zijn het samenstellingen van het type en lamp.

Haarband en zwemband kun je niet samentrekken. Dit zijn wel beide banden en de vorm van de samenstelling is hetzelfde. Echter de betekenis is heel anders, dit verwart de lezer.

Bij een samentrekking op woordgroepniveau laat je een heel woord of meerdere woorden weg. Ook hier geldt dat hetgeen weggelaten wordt dezelfde betekenis moet hebben als dat wat er nog staat.

Lange benen en korte benen kun je samentrekken tot: lange en korte benen. Dit zijn geen samenstellingen maar de betekenis is hetzelfde en dus kun je het samenvoegen.

Bruine sokken en bruine benen kun je niet samentrekken. In dit geval gaat het om hele andere zaken en dus kun je het niet samenvoegen.

Bij een samentrekking op zinsniveau laat je een heel woord of meerdere woorden weg. Let hier wel op dat je alleen samentrekt wat dezelfde vorm, functie en betekenis heeft. Let ook op dat je niet samentrekt wanneer het werkwoord twee verschillende functies heeft.

Mieke gaat morgen zwemmen en Mieke gaat morgen uit eten. In deze zin schrijf je twee keer ‘Mieke gaat morgen’ dit kun je samentrekken door dit 1x weg te laten. Dan schrijf je: Mieke gaat morgen zwemmen en uit eten.

Ik pak jouw hand vast en ik pak het cadeautje uit. In deze deze zin schrijf je twee keer ‘ik pak’, maar dit kun je niet 1x weglaten. Het woord ‘pak’ heeft namelijk twee verschillende betekenissen, die van vastpakken en uitpakken.

Hij is bekend en uitgenodigd voor het feestje. In deze zin schrijf je twee keer ‘hij is’, maar dit kun je niet 1x weglaten. Het woord ‘is’ is de eerste keer namelijk een koppelwerkwoord, terwijl het de tweede keer een hulpwerkwoord is.

Dit taaldoel gaat in op het ontdekken van de functie van een samentrekking. Ook gaat het in op het op de juiste manier toepassen van de samentrekking.

Voorbeeld

Binnen een woord: land- en tuinbouw, basis- of middelbare school, wereld- en Europees kampioen, in- en uitrit, zon- en feestdagen

Binnen een woordgroep: blauwe en gele kaarten, grote en kleine dozen, lange of korte verhalen

Binnen een zin

  • Ze ging zitten en begon met praten. (Ze ging zitten en ze begon met praten.)
  • Op de tafel staan verschillende broodjes, koekjes en twee kannen met ranja. (Op de tafel staan verschillende broodjes, op de tafel staan koekjes en op de tafel staan twee kannen met ranja.)

Instructietip

Zet de volgende twee zinnen op het bord en bespreek met leerlingen wat hier fout is gegaan.

  • Hij zet de eis in de koelkast.
  • We varen in de bood naar het eiland.

Werkwoorden

  • Het ongeluk is me komen over.
  • De zon onderging.