Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Zinsdelen

Naamwoordelijk gezegde

3F 7,8

HomeLeergebiedenTaalLeerlijnNaamwoordelijk gezegde

Toelichting

Het naamwoordelijk gezegde geeft informatie over een eigenschap, toestand of kenmerk van het onderwerp. Het bestaat uit een koppelwerkwoord (hoofdwerkwoord) en het naamwoordelijk deel van het gezegde. Eventueel komen er ook hulpwerkwoorden bij.

Koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, (heten, dunken, voorkomen). Meer over de koppelwerkwoorden in Koppelwerkwoord.

Wanneer er een koppelwerkwoord in de zin staat, is er sprake van een naamwoordelijk gezegde in plaats van een werkwoordelijk gezegde.

De jongen wordt een profvoetballer.

Het koppelwerkwoord wordt koppelt het onderwerp (de jongen) aan een eigenschap of toestand (een profvoetballer). Ook is het koppelwoord te vervangen door een ander koppelwerkwoord (de jongen is een profvoetballer; de jongen lijkt een profvoetballer.) Daarom gaat het in dit geval om een naamwoordelijk gezegde.

Als je een zin met een naamwoordelijk gezegde gaat ontleden, hoef je geen lijdend voorwerp te zoeken. Een zin met een naamwoordelijk gezegde heeft namelijk nooit een lijdend voorwerp.

De jongen wordt een profvoetballer.

  1. Wat is de persoonsvorm? (vraagproef: Wordt de jongen een profvoetballer?) = wordt
  2. Wat is het onderwerp? (wie/wat + pv: Wie/wat wordt?) = De jongen
  3. Wat is het gezegde? (koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel) = wordt een profvoetballer

Het naamwoordelijk deel is de eigenschap of de toestand van het onderwerp. In veel gevallen is het naamwoordelijk deel een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord (met een lidwoord).

Voorbeeld

Lucas is blij met zijn nieuwe telefoon.

Jellie wordt vrolijk van koekjes.

Mijn opa is erg aardig.

Jij bent druk met leren.

Content in Gynzy

Grammatica

Grammatica

  • Redekundige ontleding
    • Zinsdelen
      • Naamwoordelijk gezegde (begrip)