Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Zinsdelen

Meewerkend voorwerp

2F 7,8

Toelichting

Het meewerkend voorwerp geeft aan voor of aan wie of wat de handeling gericht is. Je kunt het meewerkend voorwerp vinden door de vraag “aan wie/wat (voor wie/wat) + gezegde & onderwerp (& lijdend voorwerp)?”

Pieter geeft Irma een compliment.

  1. Wat is de persoonsvorm? (vraagproef: Geeft Pieter Irma een compliment?) = geeft
  2. Wat is het onderwerp? (wie/wat + pv: Wie/wat geeft?) = Pieter
  3. Wat is het gezegde? (alle werkwoorden in de zin) = geeft
  4. Wat is het lijdend voorwerp? (wie/wat + gezegde + ow: Wie/wat geeft Pieter?) = een compliment
  5. Wat is het meewerkend voorwerp? (aan wie/wat of voor wie/wat + gezegde + ow + lv: Aan wie geeft Pieter een compliment?) = Irma

Het meewerkend voorwerp is een zinsdeel. Dit is soms één woord, maar het kan ook uit meerdere woorden bestaan.

Ik heb voor mijn lieve vriendin een cadeautje meegenomen.

  1. Wat is de persoonsvorm? (vraagproef: Heb ik voor mijn lieve vriendin een cadeautje meegenomen?) = heb
  2. Wat is het onderwerp? (wie/wat + pv: Wie/wat heb?) = ik
  3. Wat is het gezegde? (alle werkwoorden in de zin) = heb meegenomen
  4. Wat is het lijdend voorwerp? (wie/wat + gezegde + ow: Wie/wat heb ik meegenomen?) = een cadeautje
  5. Wat is het meewerkend voorwerp? (aan wie/wat of voor wie/wat + gezegde + ow + lv: Voor wie heb ik een cadeautje meegenomen?) = mijn lieve vriendin

Vaak staat er aan of voor aan het begin van het meewerkend voorwerp. Als dit er niet staat, kan dit er wel voor gezet worden.

Voorbeeld

Jorieke trakteert haar collega’s op gevulde eieren. ➜ aan wie trakteert Jorieke op gevulde eieren? ➜ haar collega’s

Gisteren gaf Jeroen zijn moeder een bos bloemen. ➜ aan wie gaf Jeroen een bos bloemen? ➜ zijn moeder

Content in Gynzy

Grammatica

Grammatica

  • Redekundige ontleding
    • Zinsdelen
      • Meewerkend voorwerp (begrip)