Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Zinsdelen

Lijdend voorwerp

1F 7,8

Toelichting

Het lijdend voorwerp geeft aan wie of wat ondergaat wat het onderwerp en gezegde samen doen. Je kunt het lijdend voorwerp vinden door de vraag “Wie of wat + gezegde & onderwerp?” te stellen.

Karlijn en Vienne lezen een boek.

  1. Wat is de persoonsvorm? (vraagproef: Lezen Karlijn en Vienne een boek?) = lezen
  2. Wat is het onderwerp? (wie/wat + pv: Wie/wat lezen?) = Karlijn en Vienne
  3. Wat is het gezegde? (alle werkwoorden in de zin) = lezen

Wat is het lijdend voorwerp? (wie/wat + gezegde + ow: Wie/wat lezen Karlijn en Vienne?) = een boek

Het lijdend voorwerp is een zinsdeel. Dit is soms één woord, maar het kan ook uit meerdere woorden bestaan.

Niet elke zin heeft een lijdend voorwerp. Een lijdend voorwerp en een naamwoordelijk gezegde sluiten elkaar uit. Als er een van de koppelwerkwoorden zijn, worden, blijven, schijnen, lijken, blijken, heten, dunken of voorkomen in de zin staan is er sprake van een naamwoordelijk gezegde (en is er dus geen lijdend voorwerp). Meer over het naamwoordelijk gezegde in Naamwoordelijk gezegde.

De meester is erg aardig.

Koppelwerkwoord is staat in de zin, dus naamwoordelijk gezegde en geen lijdend voorwerp.

Ik blijf een beetje angstig voor spinnen.

Koppelwerkwoord blijf staat in de zin, dus naamwoordelijk gezegde en geen lijdend voorwerp.

Voorbeeld

Pieter leest het boek voor. ➜ wie/wat leest Pieter voor? ➜ het boek

Mandy eet een ijsje. ➜ wie/wat eet Mandy? ➜ een ijsje

Vincent speelt een liedje op zijn nieuwe gitaar. ➜ wie/wat speelt Vincent? ➜ een liedje

Content in Gynzy

Grammatica

  • Redekundige ontleding
    • Zinsdelen
      • Lijdend voorwerp (begrip)