Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Werkwoorden

Koppelwerkwoord

3F 8

HomeLeergebiedenTaalLeerlijnKoppelwerkwoord

Toelichting

Een koppelwerkwoord is een werkwoord dat voorkomt in zinnen met een naamwoordelijk gezegde (meer hierover in het doel Naamwoordelijk gezegde). Het koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan een eigenschap of toestand.

Ik ben blij.
Onderwerp = ik
Toestand = blij
Koppelwerkwoord = ben
Ben koppelt ik aan blij.

Er zijn negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, (heten, dunken, voorkomen).

Een koppelwerkwoord kan je vervangen door een ander koppelwerkwoord.

Ik ben blij.
Ik blijf blij.
Ik lijk blij.
Ik word blij.

Belangrijk is dat het echt gaat om de koppeling tussen het onderwerp en een eigenschap of toestand. Sommige koppelwerkwoorden komen namelijk ook voor als zelfstandig naamwoord: het werkwoord zijn in de betekenis van ‘bestaan’ of ‘aanwezigheid’, het werkwoord schijnen in de betekenis van ‘licht dat schijnt’ of het werkwoord blijven in de betekenis van ‘zich bevinden’.

Koppelwerkwoord: Hij is vrolijk.
Zelfstandig werkwoord: Hij is op school.

Koppelwerkwoord: Ultraviolet licht schijnt onzichtbaar te zijn.
Zelfstandig werkwoord: Het licht schijnt op de grond.

Koppelwerkwoord: Wij blijven enthousiast.
Zelfstandig werkwoord: Wij blijven vanavond thuis.

Heten, dunken en voorkomen komen bijna niet meer voor tegenwoordig en daarom worden deze weggelaten in dit doel.

Voorbeeld

Zijn: Paul was een leerkracht.

Worden: Het kantoor wordt gezellig door de lampjes.

Blijven: Daniël blijft rustig.

Blijken: Hij blijkt erg bescheiden.

Lijken: Ik leek boos op de foto.

Schijnen: Het schijnt moeilijk te zijn, die som.

Content in Gynzy

Grammatica

Grammatica

  • Taalkundige ontleding
    • Werkwoorden
      • Koppelwerkwoord (begrip)