Leerlijn Taal

Stilistiek & Semantiek ⟩Taalbetekenis

Dubbelzinnig taalgebruik

3F 7,8

HomeLeergebiedenTaalLeerlijnDubbelzinnig taalgebruik

Toelichting

Soms kun je een zin, een woord of een zinsdeel op twee (of meer) manieren opvatten. De zin heeft dan twee betekenissen. Dit wordt dubbelzinnig taalgebruik genoemd of ambigue taalgebruik.

Het kan zijn dat er een homoniem in de zin staat, een woord met twee verschillende betekenissen (zie ook: Homoniem).

Achter het huis ligt een slang op de grond.

Het woord slang kan een waterslang betekenen, maar het kan ook het dier de slang zijn. Dus deze zin kun je op twee manieren opvatten:

  1. Achter het huis ligt een waterslang op de grond.
  2. Achter het huis ligt een levende slang op de grond.

Of een zinsdeel is op twee manieren op te vatten.

Ik heb het boek van de buurman geleend.

Is het boek een boek dat de buurman heeft geschreven of heb je een boek van de buurman geleend? Deze zin kun je dus op twee manieren opvatten:

  1. Ik heb het boek dat de buurman heeft geschreven geleend.
  2. Ik heb het boek geleend van mijn buurman.

Soms kan het onderwerp ook het lijdend voorwerp zijn. Dit is dan niet duidelijk op te maken uit de zin. Dit levert ook dubbelzinnig taalgebruik op.

Achter de wolken schijnt de zon.

Het is niet: achter de wolken scheen de zon. In dat geval wordt waarschijnlijk niet het spreekwoord bedoeld maar scheen de zon echt achter de wolken en gaat het dus om de letterlijke betekenis. Om dit zeker te weten kijk je naar de context.

Dit taaldoel gaat specifiek in op het ontdekken van het bestaan en de functie van uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden als veelgebruikte voorbeelden van figuurlijk taalgebruik. In het woordenschateiland Figuurlijk taalgebruik oefenen leerlingen met uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden.

Iemand die je vraagt mee te gaan.

Je kan het onderwerp zijn, maar ook het lijdend voorwerp. Deze zin kun je dus op twee manieren opvatten:

  1. Iemand die jou vraagt mee te gaan. Iemand vraagt het aan jou.
  2. Iemand die jij vraagt mee te gaan. Jij vraagt het aan iemand.

Voorbeeld

  • Ik loop snel naar de bank toe.
  • De muis is van de tafel gevallen.
  • Hij gooit een blik op de spiegel.
  • De bril is zo schoon dat hij glimt.
  • Marie wil de tekening van mijn moeder hebben.
  • Wil jij het schilderij van Gijs hebben?
  • Ik heb het verslag van de juf gelezen.
  • Het meisje die Jacky de kaart gegeven heeft.
  • De hond die Wiebes geknuffeld heeft.
  • De jongen die Tom een ijsje gegeven heeft.

Instructietip

Geef de leerlingen een aantal voorbeelden van zinnen met dubbelzinnig taalgebruik en laat ze in tweetallen de twee betekenissen van de zinnen opzoeken.