Leerlijn Taal

Grammaticale kennis ⟩Voornaamwoorden

Bezittelijk & aanwijzend voornaamwoord

2F 7,8

HomeLeergebiedenTaalLeerlijnBezittelijk & aanwijzend voornaamwoord

Toelichting

Een voornaamwoord is een woord dat verwijst naar iemand of iets. Je kunt dus met een voornaamwoord een persoon of voorwerp benoemen zonder dat je de echte naam zegt. Bijvoorbeeld in de zin: Heb jij de plant gekocht? Met jij verwijs je naar een persoon, maar wie de persoon is wordt niet benoemd. Het voornaamwoord heeft dus zelf niet echt een betekenis. Pas als je de context weet dan krijgt het een betekenis omdat je dan weet waarnaar het verwijst.

Er zijn verschillende voornaamwoorden. In dit doel gaan we in op het bezittelijk en het aanwijzend voornaamwoord.

Het bezittelijk voornaamwoord verwijst naar de persoon van wie iets is. Bijvoorbeeld in de zin: Ze geeft haar plant water. In deze zin verwijst haar naar de persoon van wie de plant is. Belangrijk is om bij het verwijzen naar het juiste geslacht te verwijzen. Meer hierover in het doel Regel voor overeenkomst in geslacht.

In sommige gevallen, vooral in de spreektaal, komen verkorte vormen van de bezittelijke voornaamwoorden voor. Mijn wordt bijvoorbeeld m’n en haar wordt bijvoorbeeld d’r.

Het aanwijzend voornaamwoord verwijst net als de andere voornaamwoorden naar een persoon of voorwerp, alleen verwijst het aanwijzend voornaamwoord wat nadrukkelijker. Bijvoorbeeld in de zin: Ik heb die boeken al gelezen. Met die verwijs je naar de boeken. Ook hier is het belangrijk om bij het verwijzen naar het juiste geslacht te verwijzen (Regel voor overeenkomst in geslacht).

Het aanwijzend voornaamwoord kan zelfstandig en niet-zelfstandig (ook wel bijvoeglijke vorm) worden gebruikt. Een niet-zelfstandig aanwijzend voornaamwoord staat direct voor het zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld dat in de zin: Ik lees dat boek.

Een zelfstandig aanwijzend voornaamwoord staat zelfstandig in de zin. Dat wil zeggen dat het zelfstandig naamwoord, waar het aanwijzend voornaamwoord naar verwijst, niet direct achter het aanwijzend voornaamwoord staat. Bijvoorbeeld dat in de zin: Ik heb dat al gelezen. Je doelt dan op het boek, tijdschrift of artikel dat je al hebt gelezen. Dit is of eerder in het gesprek of de tekst naar voren gekomen, of de persoon waartegen je praat weet al op een andere manier waar je het over hebt.

De aanwijzende voornaamwoorden deze en die gebruik je voor de-woorden, dit en dat gebruik je voor het-woorden.

Met de aanwijzende voornaamwoorden kun je ook aangeven of iets dichtbij staat of verder weg. Deze en dit gebruik je als iets dichtbij staat, die en dat als iets verder weg staat.

De andere voornaamwoorden komen aan bod in andere doelen: Persoonlijk voornaamwoord, Wederkerend & wederkerig voornaamwoord, Vragend voornaamwoord.

Voorbeeld

Bezittelijke voornaamwoorden: mijn (m’n), jouw (je), uw, zijn (z’n), haar (d’r), ons, onze, jullie, hun

De verkorte vorm staat tussen haakjes.

Aanwijzende voornaamwoorden

  • De-woorden: deze (dichtbij), die (veraf)
  • Het-woorden: dit (dichtbij), dat (veraf)

Content in Gynzy

Spelling

Spelling

  • Begrippen
    • Voornaamwoorden
      • Bezittelijk voornaamwoord (begrip)